De Rasbeschrijving,




Herkomst:
Canada

Gebruik:
Sledehond voor zware lasten, waterhond

Historie:
Het ras ontstond op het eiland Newfoundland uit inheemse honden en de grote zwarte berenhond
geïntroduceerd door de Vikingen na het jaar 1100. Met de komst van Europese vissers hielp een
verscheidenheid van nieuwe rassen het ras vormen en versterken, waarbij de wezenlijke eigen-
schappen bewaard bleven. Met de kolonisatie van het eiland vanaf 1610 was de Newfoundlander
reeds grotendeels in het bezit van zijn kenmerkende uiterlijk en aangeboren gedrag.
Deze kenmerken stelden hem in staat de strengheid van het extreme klimaat en de tegenwerking
van de zee bij het aan land slepen van zware lasten te weerstaan of te dienen als water- en
reddingshond.

Algemeen voorkomen:
De Newfoundlander is zwaar met krachtig lichaam, goed gespierd en goed gecoördineerd in zijn
bewegingen.

Verhoudingen:
De lengte van het lichaam gemeten vanaf het boeggewricht tot aan de zitbeenknobbel is groter
dan de hoogte van de schoft. Het lichaam is compact. Het lichaam van de teef mag iets langer
zijn en is minder zwaar dan dat van de reu. De afstand van de schoft tot de onderzijde van de
borst is iets groter dan de afstand van de onderzijde van de borst tot aan de grond.

Gedrag/temperament:
De expressie van de Newfoundlander weerspiegelt welwillendheid en zachtheid.
Waardig, opgewekt en creatief. Hij staat bekend om zijn onvervalste zachtmoedigheid en rust.

Hoofd:
Massief. Het hoofd van de teef is als van de reu, maar minder massief.

Achterhoofd:
Schedel Breed met licht gewelfd schedeldak en sterk ontwikkelde achterhoofdsknobbel.

Aangezicht:
Neus Groot, goed gepigmenteerd, neusvleugels goed ontwikkeld. Kleur: zwart bij zwarte en
wit-zwarte honden, bruin bij bruine honden...

Voorsnuit:
Duidelijk vierkant, diep en matig kort, bedekt met kort fijn haar en vrij van plooien.
De mondhoeken zijn zichtbaar, maar niet te uitgesproken.

Lippen:
Zacht.

Gebit:
Scharend of tanggebit.

Ogen:
Betrekkelijk klein, matig diepliggende ze staan ver uitéén en tonen geen uitgezakt ooglid.
Kleur: donkerbruin bij zwarte en wit-zwarte honden. Lichtere schakeringen bij bruine honden
toegestaan.

Oren:
Betrekkelijk klein, driehoekig met ronde punten, goed naar achteren geplaatst en aanliggend
tegen de zijkant van het hoofd. Wanneer het oor van de volwassen hond naar voren wordt
gebracht, dan reikt het tot de binnenhoek van het oog aan dezelfde kant.

Hals:
Sterk, gespierd, goed in de schouders overgaand en lang genoeg om het hoofd waardig te
dragen. De hals mag geen overdadige keelhuid tonen.

Lichaam:
Het gehele skelet is zwaar. Gezien van opzij is het lichaam diep en krachtig.

Bovenbelijning:
Vlak en stevig vanaf de schoft tot aan het kruis.

Rug:
Breed.

Lendenen:
Stevig en goed gespierd.

Kruis:
Breed, hellend onder een hoek van ongeveer 30 graden.

Borst:
Breed, vol en diep met goed gewelfde ribben.

Buik- en onderbelijning:
Bijna horizontaal en nooit opgetrokken.

Ledematen/Voorhand:
De voorbenen zijn recht en evenwijdig, ook als de hond in stap gaat of langzaam draaft.

Schouders:
Zeer goed bespierd en goed schuin geplaatst.

Ellebogen:
Goed aangesloten aan de borst.

Middenvoeten:
Iets schuin.

Voorvoeten:
Groot, en in verhouding tot het lichaam mooi rond en compact met stevige gesloten tenen.
Vliezen tussen de tenen zijn aanwezig.

Achterhand:
Omdat stuwkracht voor het trekken van lasten, voor het zwemmen of om doelmatig voort te
bewegen voornamelijk afhankelijk is van de achterhand, is de bouw van de achterhand van de
Newfoundlander van het grootste belang. Het bekken moet daarom sterk, breed en lang zijn.

Bovenbenen:
Breed en gespierd.

Kniegewricht:
Goed gehoekt, maar niet zodanig dat het een gedrukte verschijning oproept.

Onderbenen:
Krachtig en tamelijk lang.

Hakken:
Betrekkelijk kort, goed laag, goed uiteen en evenwijdig aan elkaar; ze draaien nooit naar binnen,
noch naar buiten.

Achtervoeten:
Stevig en goed gesloten. Hubertusklauwen, indien aanwezig, dienen te zijn verwijderd.

Staart:
De staart fungeert als een roer wanneer de Newfoundlander zwemt; daarom is hij sterk en breed
bij de aanzet. Staat de hond, dan hangt de staart omlaag met misschien een lichte buiging aan
het eind en reikt tot op of iets onder de sprong. Wanneer de hond gaat of opgewonden is, dan
wordt de staart recht naar achteren met een lichte opwaartse bocht gedragen, maar nooit over
de rug gekruld of tussen de benen gebogen.

Gang / beweging:
De Newfoundlander beweegt met het goed uitgrijpen van de voorbenen en met een zeer sterke
stuwkracht vanuit de achterhand, daarbij de indruk gevend van moeiteloos vermogen. Een lichte
rol van de rug is normaal. Indien de snelheid toeneemt neigt de hond naar éénsporigheid waarbij
de bovenbelijning vlak blijft.

Vacht:
De Newfoundlander heeft een waterafstotende dubbele vacht. De bovenvacht is tamelijk lang en
sluik zonder krul. Een lichte golving is toegestaan. De ondervacht is zacht en dicht, dichter in de
winter dan in de zomer, maar altijd in zekere mate aanwezig op kruis en borst. Het haar op het
hoofd, de voorsnuit en oren is kort en fijn. De voor- en achterbenen zijn bevederd. De staart is
volledig bedekt met lang dicht haar, maar vormt geen vlag. Trimmen en bijknippen wordt niet
aangemoedigd.


Kleur: ZWART, BRUIN en WIT-ZWART.

  1. Zwart:
    de traditionele kleur is zwart. De kleur moet zoveel mogelijk egaal zijn, maar een lichte
    zweem van bruin is toegestaan. Witte aftekeningen op borst, tenen en/of staartpunt zijn
    toegestaan.
  2. Wit-zwart:
    deze variëteit is van historische betekenis voor het ras. Voor de aftekening gaat de
    voorkeur uit naar een zwart hoofd met bij voorkeur een witte bles doorlopend tot op de
    voorsnuit, een zwart zadel met gelijke aftekeningen en een zwart kruis en het bovenste
    deel van de staart. De overige delen van het lichaam moeten wit zijn en mogen
    een minimale "ticking" vertonen.
  3. Bruin:
    de bruine kleur loopt van chocolade- tot bronskleur. Witte aftekeningen op borst, tenen
    en/of staartpunt zijn toegestaan. Wit-zwarte en bruine honden moeten in dezelfde klasse
    worden voorgebracht als de zwarte.

Grootte en gewicht:
De gemiddelde schofthoogte is;
voor volwassen reuen: 71 cm (28 inches) met een gemiddeld gewicht van ongeveer 68 kilo.
voor volwassen teven: 66 cm (26 inches) met een gemiddeld gewicht van ongeveer 54 kilo.
Groot formaat is gewenst, maar mag niet worden bevoordeeld boven verhoudingen, algehele
"soundness", zware bouw en correct gangwerk

Fouten:
Iedere afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de ernst
waarmee de fout moet worden beoordeeld is recht evenredig met de mate van de fout.

  1. Algemene verschijning: hoogbenigheid, gebrek aan massa
  2. Algemene botstructuur: plompe verschijning, fijn bone
  3. Karakter: agressiviteit, schuwhei.
  4. Hoofd: smal
  5. Voorsnuit: puntig of lang
  6. Lippen: geprononceerd.
  7. Ogen: rond, uitpuilend, gele ogen, uitgezakt onderooglid
  8. Rug: karperrug, zwakke of doorgezakte rug
  9. Staart: kort, lang, knikstaart, gekruld uiteinde
  10. Voorhand: zwakke middenvoet, spreidtenen, naar binnen of buiten draaien van de
    voorvoeten, ontbreken van de vliezen tussen de tenen
  11. Achterhand: steile knieën, koehakken, O-benen, naar binnen gedraaide voeten
  12. Gang/beweging: dribbelen, sloffen, krabben, te nauw gaan, breien, kruisen, naar buiten of
    opvallend naar binnen draaien van de voorvoeten, extreem optrekken van de voorbenen,
    telgang
  13. Haar: geheel open vacht, gebrek aan ondervacht

Uitsluitende fouten:

  1. slecht karakter
  2. boven- of ondervoorbeet, scheve kaak
  3. korte en vlakke vacht
  4. aftekening anders dan wit bij een zwarte of bruine hond
  5. elke andere kleur dan zwart, wit-zwart of bruin